Optimisme

Het is algemeen bekend dat optimisme een positieve en vruchtbare levenshouding is. Er zijn enkele uitzonderingen die beweren dat optimisme bedrieglijk is en dat de lieden die daarin geloven zichzelf voor de gek houden. De deugd zit ook hier in de midden, maar het staat voor mij als een paal boven water dat een optimistische kijk op het leven productiever is en gelukkiger maakt.
De groene Amsterdammer heeft zijn nummers 28 en 29 van 11 juli geheel aan ‘Optimisme in Bange Dagen’ gewijd. Ralf Bodelier & Mirjam Vossen schrijven daarin een artikel onder de titel ‘Europa zakt weg in Droefenis. Leren van Aziatisch optimisme’. Bodelier en Vossen, gesteund door de Franse politicoloog Dominique Moïsi, stellen dat er een optimismekloof gaapt in de wereld. Vooral Europeanen zijn somber, met Italianen en Hongaren aan de top. Maar liefst tachtig procent van de Italianen denkt dat de extreme armoede in de wereld de afgelopen twintig jaar is toegenomen. Slechts zes procent weet dat dat de extreme armoede is gedaald, zelfs met meer dan de helft. Aziaten kijken heel wat positiever naar de wereld. Onze somberheid bedreigt de democratie. Pessimisme viert hoogtij in vrijwel heel Europa. Ruim twee derde van alle Europeanen denkt dat de wereld er slechter voor staat dan twintig jaar geleden.
Het sombere wereldbeeld beperkt zich niet tot extreme armoede. Het strekt zich ook uit bijvoorbeeld tot onderwijs en watervoorziening. 85 % van alle Afrikaanse kinderen zit momenteel op de basisschool en maar liefst 2,6 miljard mensen, één derde van de wereldbevolking, kreeg de afgelopen 25 jaar de beschikking over schoon drinkwater.
Europeanen weten maar amper hoe de wereld erop is vooruitgegaan. Dat maakt hen niet alleen zwartgallig over het heden, maar vooral ook over de toekomst. Terwijl veel wereldwijde trends meer dan bemoedigend zijn: minder armoede, minder klimaatdoden, minder kindersterfte, minder slachtoffers van oorlog, een stijgende levensverwachting, zakt Europa weg in droefenis. Europa mist hoop en vertrouwen zei Moïsi tien jaar geleden al. Net als in Amerika heerst in Europa een cultuur van angst. Angst voor de ander. Angst voor economische onzekerheid of ineenstorting. Angst voor een ongewisse en dreigende toekomst.
Hoe anders is dat in Vietnam. Nog maar dertig jaar geleden was Vietnam een van de armste landen in de wereld. Vietnam is inmiddels een middeninkomensland. Meer dan acht op de tien Vietnamezen verwachten dat zijzelf en hun familie het de komende vijftien jaar beter zullen krijgen. China, India en Indonesië komen qua optimisme dicht in de buurt. Het zijn opkomende landen in Zuidoost Azië die de afgelopen decennia een enorme groei beleefden. En ze herbergen een bevolking die dat met eigen ogen zag en meemaakte. In amper dertig jaar tijd daalde de extreme armoede van 66 naar 0.7 procent.
In de wereld gaapt een forse optimismekloof, met aan de ene kant rijke landen als Europa, Amerika en Japan. En aan de andere kant opkomende economieën, vooral in Azië.
Een belangrijke verklaring van deze kloof ligt voor de hand: mensen in China en Vietnam zagen de razendsnelle afname van problemen als armoede, infectieziekten en kindersterfte met eigen ogen. Daardoor geloven ze ook dat dit mogelijk is in de rest van de wereld. En al klinkt dat logisch, tegelijkertijd is het ook opmerkelijk. Het betekent dat optimisme en pessimisme niet zozeer te maken hebben met iemands concrete omstandigheden in het hier en nu; de humeuren zijn hoofdzakelijk relatief. Optimisme en pessimisme ontstaan door je eigen situatie in het hier en nu te vergelijken met die van anderen of met die van jezelf in het recente verleden. Relatief verval wordt doorgaans gevoeld als absoluut verval.
Het Europese gevoel van wereldwijd verval is om meerdere redenen problematisch. Allereerst omdat het niet ondersteund wordt door feiten. Europeanen schatten de toestand in de wereld steevast veel en veel somberder in dan zij daadwerkelijk is. Een op feitelijkheid gebaseerde opvatting van de wereld om ons heen is simpelweg een waarde op zich. Het is ronduit idioot dat juist in ons deel van de wereld, waarin mensen het langst, best en hoogst zijn opgeleid, zo weinig kennis over wereldwijde ontwikkelingen voorhanden is.
Onterecht pessimisme ontneemt ons ook de mogelijkheid om onderscheid te maken tussen oplossingen voor problemen die wel werken en oplossingen die niet of zelfs averechts uitpakken. Wie ten onrechte meent dat armoede, kindersterfte of analfabetisme in Afrika stijgen, zal al snel concluderen dat investering in ontwikkelingssamenwerking geen zin had, geen zin heeft en nooit zin zal hebben!
Vervolgens brengt pessimisme, gebaseerd op gebrekkige kennis van feitelijke trends, ook de democratie in gevaar. Zowel Trump als de Brexit was bepaald geen resultaat van op feiten gebaseerde campagnes, maar van een tendentieuze aanpak en ‘fake news’.
De laatste reden waarom de perceptie van een wereldwijde neergang problematisch is, is misschien wel de belangrijkste: kennis van vooruitgang hangt samen met inzet voor een betere wereld. ‘Rationele optimisten’ geloven veel vaker dat hun inzet een verschil kan maken. Zij zijn ook meer dan gemiddeld bereid om actie te ondernemen voor de problemen waarover ze zich zorgen maken.
Er is iets in het Aziatische voorbeeld van optimisme in objectief mindere omstandigheden waar wij van kunnen leren. Willen we in Europa weer overeind komen, dan moeten we de vooruitgang, die er ontegenzeggelijk is, weer met eigen ogen kunnen waarnemen. In ons geval betekent dat iemand, binnen of buiten de media, ons dat allemaal vertelt. Dat kan met spannende cijfers en statistiek, beelden, muziek, met films, met opwindende boeken of met vernieuwende journalistiek.

Wat ook helpt is inzicht in de mechanismen onder ons pessimisme, d.w.z. kennis over onze eigen emoties, zoals onze angst voor neergang en verval. Het gevoel van verval is relatief en heeft weinig te maken met ons daadwerkelijke welzijn. Het is een gevoel dat we bovendien projecteren op de rest van de wereld.
Gemakkelijk zal het niet gaan zeggen Bodelier & Vossen. In een wereld die steeds complexer wordt, groeit het verlangen op je emoties te vertrouwen. Het kosmopolitisme uit de jaren tachtig en negentig is verdrongen door het nationalistische verlangen naar eigen cultuur, volk en traditie. En overal hebben ze baat bij pessimisme, ondergangsvisioenen en zwartkijkerij. Hoe dramatischer ons wereldbeeld, hoe eerder we ons terugtrekken en ruimte geven aan sterke mannen die de toekomst afsluiten en het verleden verheerlijken. Als we de uitdagingen waarvoor we staan het hoofd willen bieden, hebben we behalve moed en hoop ook kennis van de werkelijkheid nodig.