Internationale Dag ter Nagedachtenis aan de Slavenhandel en haar Afschaffing (UNESCO, 23 augustus)

UNESCO, droefgeestig symboolbeeld van slavernij

Deze Dag is door UNESCO aangewezen ter nagedachtenis aan de Atlantische Slavenhandel.
De datum van de Dag, 23 augustus, verwijst naar de nacht van 22 op 23 augustus 1791 toen in het huidige Haïti een slavenopstand begon die uiteindelijk een cruciale rol zou spelen in de afschaffing van de trans-Atlantische slavenhandel.


N.B. UNESCO sponsort ook het Slavernij-route project, gelanceerd in 1994 in Benin.

Trans-Atlantische Slavenhandel


Deze handel is uniek geweest in de hele slavernijgeschiedenis vanwege zijn duur, ongeveer vier eeuwen, de specifieke slachtoffers, zwarte Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen; en vanwege de intellectuele rechtvaardiging, d.w.z. de ontwikkeling van een anti zwarte ideologie en de wettelijke organisatie daarvan.
De trans-Atlantische slavenhandel vormde de grootste deportatie van mensen in de geschiedenis en was een beslissende factor in de wereldeconomie van de 18de eeuw. Ze werd ook gedefinieerd als driehoek handel, die de economieën van drie continenten aan elkaar smeedde. Goederen uit Europa (vooral wapens en buskruit, maar ook textiel en andere producten), werden naar Afrika gebracht, waar die geruild werden voor slaven. Deze werden dan overgebracht naar Amerika en het Caraïbische gebied. Vandaar werd dan door dezelfde schepen vooral suiker, katoen, koffie, tabak en rijst naar Europa gebracht.

trans-Atlantisch slavenvervoer

Naar schatting zijn tussen de 25 en 30 miljoen mannen, vrouwen en kinderen gedeporteerd en als slaven verkocht in de diverse slavenhandel systemen. In de trans-Atlantische handel alleen al is de schatting 17 miljoen. Overledenen gedurende transport en als gevolg van twisten en kloppartijen niet meegerekend. Op Hollandse schepen kon de sterfte tot een derde van het aantal slaven oplopen.
De drie-continenten trip duurde ongeveer 18 maanden. Spanje, Portugal, Nederland, Engeland en Frankrijk waren de belangrijkste Driehoeks handelsnaties

Weerstand en afschaffingen

De eerste voorvechters voor de afschaffing van de slavernij waren de gevangenen en slaven zelf. Rebellie en zelfmoord werden vaak gebruikt als de belangrijkste vormen van weerstand.
Vanaf de jaren 1730 werd er al weerzin tegen slavernij in het Caraïbische gebied gesignaleerd, wat culmineerde in de bovengenoemde opstand in Haïti in 1791. Daar begon de aftakeling van het slavernij systeem, welke het begin aangaf van een drievoudige vernietiging van slavernij, de slavenhandel en het koloniale systeem.
Al op het einde van de 17de eeuw waren er individuen en organisaties die pleitten voor de afschaffing van de slavernij, vooral in Engelssprekende gebieden. Twee belangrijke besluiten voor de afschaffing waren de ‘Abolition Bill’ in het V.K. in 1833 en een Frans decreet in 1848. In de V.S. moest de afschaffing wachten tot het einde van de Burgeroorlog (1865). Er kwamen daar vier miljoen slaven vrij.

Keti Koti, Rotterdam voor 60.000 getransporteerde slaven


Slavernij en Nederland


Het aandeel van de Republiek in de Atlantische slavenhandel was gemiddeld zo’n vijf procent, ongeveer 500.000 mensen. De slavenhandel door de West-Indische Compagnie (WIC) heeft vooral in de beginjaren bijgedragen aan de status van de Nederlanden als economische wereldmacht.
De slavenhandel werd echter aanvankelijk immoreel gevonden in de Nederlanden. Het ging in tegen christelijke normen en waarden en aanvankelijk hield men zich er daarom buiten.
De Nederlandse slavenhandel nam later grote vormen aan, waarbij men in het Bijbelboek Genesis 9 – waarin de nakomelingen van Cham tot slavernij vervloekt worden – de rechtvaardiging vond: niet-christenen mochten als slaaf worden verkocht.
In de achttiende eeuw groeide de slavenhandel enorm. Er waren jaren dat er meer dan honderdduizend slaven werden vervoerd. Frankrijk en Engeland namen echter de positie over van de Republiek, zoals dat ook ging met de overige handel. De slavenhandel bleek ook niet erg winstgevend voor de Nederlanders, in tegenstelling tot de Engelsen. Dit kwam mede door de hoge sterfte onder de slaven op de overtocht. Het kwam voor dat 30% van de slaven stierf aan boord van de schepen.

Einde van de slavenhandel en afschaffing


Door de economische recessie van 1773 was er een neergang van de gehele koopvaardij en daaronder ook de slavenhandel. Op economisch gebied werd de slavenhandel minder interessant door opkomst van de Europese suikerbietencultuur. De ontwikkeling van landbouwmachines zorgde voor een extra reden om de slavernij af te schaffen.
In een overeenkomst met het V.K. werd in 1814 de Nederlandse Trans-Atlantische slavenhandel afgeschaft.

Nationaal monument Nederlands slavernijverleden, Amsterdam


Nederland schafte de andere slavernij in etappes af, eerst in de onder direct bestuur staande delen van Nederlands-Indië met ingang van 1 januari 1860 vervolgens in Suriname en de Nederlandse Antillen per 1 juli 1863. Op die dag kregen zo’n 35.000 slaven in Suriname en 12.000 slaven op de Nederlandse eilanden in het Caribisch gebied hun vrijheid.
In sommige onder indirect bestuur staande delen van Nederlands-Indië en in de Nederlandse Goudkust bleef de slavernij nog een tijd voortbestaan.

Moderne vormen van slavernij

Slavernij komt ook nu nog voor. Sommige auteurs menen dat er in de hedendaagse wereld zo’n 200 miljoen slaven zijn. Zij duiden daarmee op al degenen, vooral vrouwen en kinderen in ontwikkelingslanden, die door contracten en horigheid tot bepaald werk voor bepaalde werkgevers zijn gedwongen (bijvoorbeeld sekstoerisme). Andere schattingen van slavernij, waarin alleen de werkelijk gedwongen vormen van werk zijn geteld, komen op ongeveer 28 miljoen.
De ‘oude’ slavernij was gebaseerd op bezit dat wettelijk werd erkend en op het onderscheid naar etnische en raciale kenmerken. Slaven waren duur en de relaties tussen slaven en slavenbezitters waren vaak voor lange tijd, soms van generatie op generatie.
De ‘nieuwe’ slavernij daarentegen is niet gebaseerd op officieel bezit, maar op andere wettige documenten, zoals contracten en schulden. Deze hedendaagse slaven zijn goedkoop, er is snel van hen af te komen, en het zijn eerder armen, kwetsbaren en ontheemden dan mensen met een bepaalde huidskleur of uit een bepaalde etnische groepering.


De hedendaagse slavernij omvat:
• ‘Pure’ slavernij van een mens die aan een meester is verkocht en geen rechten heeft.
• Schuldslavernij, gedwongen tewerkstelling bij een bepaalde meester vanwege eerdere schuld of contractuele verplichting.
• Dwangarbeid met het oog op productie, in onder meer gevangenissen, werkkampen en krijgsgevangenschap.
• Gedwongen werk en uitbuiting in de prostitutie, vooral jonge kinderen en slachtoffers van mensenhandel. UNICEF schat dat er ieder jaar tussen de een en twee miljoen kinderen onder de 18 jaar via prostitutie geëxploiteerd worden. In Azië alleen al bijna 1 miljoen. Hun aantallen zijn het hoogst in India (400-500.000) en in Thailand (200.000)
• Werk onder dwang en in onmenselijke omstandigheden tegen geen of ongeregelde betaling, zoals minderjarige meisjes die in fabrieken worden ‘opgesloten’ en wier loon wordt achtergehouden
• Gedwongen werk en opsluiting voor huishoudelijke werksters

De top-10 van landen met de hoogste percentages slaven bestaat verder uit Haïti, Pakistan, India, Nepal, Moldavië, Benin, Ivoorkust, Gambia en Gabon.

In Nederland leven naar schatting 30.000 mensen in moderne slavernij. Dat is meer dan werd gedacht, stelt mensenrechtenorganisatie Walk Free Foundation in de jaarlijkse Global Slavery Index.

30.000 moderne slaven in Nederland